Krokodillenbaby’s


Vanzelfsprekend ontmoet ik veel mensen, meestal mannen, die niet kunnen of willen geloven dat de wereld zoals ik hem zie, mogelijk is. Nee, zo zit de wereld niet in elkaar. Okee, ik weet ook wel dat je realistisch moet blijven, maar aan de andere kant heeft de manier waarop ik over de wereld denk een sterke invloed op de wereld zoals ik hem beleef. Als je niet gelooft dat iets kan, dan kan het ook niet. In je belevingswereld tenminste. En dat is voorlopig de enige wereld waar wij elkaar ontmoeten.

Een veel gehoorde klacht is de volgende.

Ik ben ook voor idealisme, maar als puntje bij paaltje komt en het is toch óf ik honger, of die ander honger. Iedereen kiest dan zelf voor het eten en laat de ander honger lijden.

Kent u dat, deze manier van denken?

 

Het is happen of gehapt worden in de krokodillenvijver!

Het is happen of gehapt worden in de krokodillenvijver!

Een bioloog heeft me eens uitgelegd dat de menselijke hersenen een soort primitief brein bevatten dat alleen de meest elementaire taak uitvoert: overleven. Dit primitieve brein stamt nog uit de tijd dat we, volgens Darwin, nog reptielen waren, dus daarom wordt het soms reptielenbrein genoemd.

Als je dus niet verder kunt denken dan “het zelf happen of anders honger hebben”, laat je alleen deze reptielen-hersenen werken. Het verbaast me niets dat het gedrag precies past bij wat je in een krokodillen-vijver ziet: grote happen en grote bekken. We laten geen stukje over voor een ander, de hele wereld is mijn vijand. Hap!

Het is natuurlijk ieders eigen keuze of hij wil wonen en leven met mensen die deze hap-mentaliteit erop na houden. Want: hebben ze dan echt geen hart voor een ander?

Dat ligt er maar net aan wie die ander is. Zelfs de wrede, niets- en niemand ontziende krokodil heeft ergens een zwakke plek. Moeders met name. Zij hebben de bijzondere eigenschap om hun jongen de eerste anderhalf jaar te beschermen in de veilige moederbek.

Blijkbaar is de krokodil een wreed monster dat alles en iedereen opeet, behalve zichzelf én zijn jong. Als de hele wereld zijn vijand is, zoals ik daarnet beweerde, dan hoort het jong niet bij de rest van de wereld, maar bij moeder zelf! Het is ik-en-mijn-jong tegen de rest van de wereld. En vooral: de rest van de wereld tegen mijn jong en mij. Want zo werkt dat in de krokodillen-vijver.

Bij mensen is dat eigenlijk net zo. Een moeder deelt ook haar voedsel met haar kind. Je kan ook zeggen: ze ìs haar kind. Ze is één met haar kind.

Kent u dat, het gevoel van éénheid? Heeft u het met uw kinderen, uw huisdier, uw partner? Of het gevoel van empathie? Je inleven hoe de ander zich voelt ? Dit zijn functies van het lymbisch systeem. Dit zijn veel “modernere” hersenen dan de reptielenbreinen die wij met de krokodillen gemeen hebben. Je kan ook zeggen: dit is wat ons mens maakt. Wij zijn hogere dieren, geen krokodillen die elkaar afmaken om de laatste hap.

Het belangrijkste is de grens tussen “ik” en “de rest”. De krokodil rekent alleen zichzelf tot “ik” en scheidt zich zo af van de rest van de wereld. De krokodillen-moeder rekent ook haar kind tot “ik” en ziet de rest van de wereld als vijandig. Tegenwoordig zie je steeds meer mensen die zich één-voelen met de hele wereld. We ademen immers allemaal dezelfde lucht in.

Veel mensen zien mij als een milieu-ridder, omdat ik bijvoorbeeld geen auto heb en vegetariër ben. Een auto wil ik niet, omdat ze stinken. Als je zelf rijdt ruik je meestal je eigen auto niet, dus ik neem die beslissing niet uit puur eigenbelang. Nee, ik en de wereld om mij heen vormen één geheel en ik ga niet mijzelf zomaar vervuilen. Het doet me pijn om te zien hoe de wereld eraan toe is. Ik voel de pijn van de aarde. Daarom, zeg ik, is er helemaal geen grens tussen mezelf en de rest van de wereld. Misschien is dit voorbeeld wat te ver gezocht, dus laat me een makkelijker voorbeeld vinden.

Vroeger, als kind, zagen we met Kerst de spotjes van Afrikaanse kinderen met dikke buiken, opgezwollen van de honger. Mijn moeder zei dan altijd: wees maar blij dat we het hier zo goed hebben. Inmiddels weet ik dat onze overvloed precies hun tekort is. Wij hebben hier teveel wat ze daar tekort hebben. Daar ben ik dus helemaal niet blij mee. Hoe kan ik dan tevreden zijn met het “ons goed hebben”? Dat lukt me niet meer. Ik ben ontevreden met onze “overvloed”, we zouden die moeten delen met degenen met tekort.

Dit is ook zo’n voorbeeld van ik en de ander. Er is geen onderscheid tussen mij en Afrika. Er is geen verschil, vind ik. Wie het verschil per sé wil zien, valt in illusies. Ik adem dezelfde lucht, drink hetzelfde water en leef op dezelfde planeet als ieder ander wezen. Ik zit in de bek van de wereld-moeder en mijn moeder is een krokodil.