Kleding


De beroemde bloeitijd van de heersers van Florence is direct verbonden met de textielindustrie. Het Nederlands industriële tijdperk begon met de komst van de textiel-manufacturen en eindigde met hun faillissement. De goedkope, slaafse Chinese arbeidskrachten produceren naast van-alles-en-nogwat ook volop textiel.

Kleding heb je natuurlijk niet voor de handel, maar voor het dragen. Kleren maken de man. De vrouw trouwens ook. Een eigen identiteit, indien gewenst, kun je uitdrukken met de kleding die je draagt.

Voeding is misschien het begin, maar kleding wordt het doorslaggevende voor kleureneconomie. Waardevol, mooi, prettig, persoonlijk, uniek en betaalbaar. Een teken van identiteit en zelfstandigheid. Vrijheid. Emotie.

Zoals in de bloeitijd van de Zeven Provinciën (of moet ik zeggen, bloed-tijd), zullen we alles maken van vezels die het in ons landje goed doen. Vlas en hennep dus. Katoen heeft een korte vezel en is dus moeilijker handmatig te spinnen. Wol ligt ook nogal voor de hand, maar wel als aanvullend materiaal. Beetje warm in de zomer nietwaar?

De grondstoffen kunnen dus gewoon in de tuin verbouwd worden. Timmerlui en werktuigbouwers kunnen de traditionele machines nog steeds maken, dus de nodige werktuigen zoals spinnewielen en weeframen zullen terugkomen. Lekker energiezuinig, zelf met je voeten duwen. En je hoeft ’s avonds niet meer naar fitness!

Als de stoffen er zijn, kunnen deze makkelijk worden vervoerd en verder verhandeld. Op elke gewenste plek kan er kleding van gemaakt worden, of andere textiel-producten zoals beddengoed of gordijnen.

Als het meezit komen ook de lokale stijlen, de klederdrachten weer terug, maar daar ga ik geen voorspelling over doen.